Landkaarten - Plattegronden - Gravures
HomeCatalogusCartografieVoorwaardenContact
Inleiding
Cartografen
Druktechnieken
Inkleuren
Druktechnieken


Houtgravure

Een hoogdrukprocede waarbij men, om de tekening aan te brengen en in tegenstelling tot de houtsnede, een burijn in plaats van een guts en verder kopshout (bij voorkeur buxhout) in plaats van langshout gebruikt. Hierdoor is het maken van dunne en fijne lijnen mogelijk. Behalve enkele voorbeelden uit de 15de-17de eeuw is de houtgravure pas door de schot thomas bewick tegen het einde van de 18de eeuw tot ontwikkeling gebracht. Bewick paste de zgn. White-line-methode toe. Hierbij worden de lijnen van de tekening in het blok uitgesneden, zodat deze wit tegen een zwarte achtergrond op de afdruk komen.


Kopergravure

Afdruk op papier, zijde of perkament van een koperen plaat, waarin met de burijn een tekening of letters zijn gesneden. Men graveert meest op koperen platen, omdat van de goedkopere metalen het koper zich het soepelst laat snijden en bij het drukken de trekken het best intact laat. Soms wordt wel zilver ( het meest voor plaquettes en voor de nielli) of ijzer gebruikt, en in enkele gevallen zink. In de 19de eeuw werd veel op staal gegraveerd. Men gebruikt goed uitgehammerde en volkomen gepolijste platen, waarop dikwijls voor het graveren de tekening door middel van een calque op een lichte grond wordt opgebracht. Hierna brengt men op de plaat met de droge naald de omtrekken aan. Bij het eigenlijke graveren, dus bij het zetten van de steken (tailles), draait men de plaat op een zandkussen of op een schijf, zodat men de lijnen onder het snijden kan laten ronden.

De gravurelijn wordt dun aangezet en door het steviger aandrukken van de burijn langzamer verbreed; aan het einde laat men haar weer dun uitlopen. Indien bij het uitsteken van de lijnen enige braam is achtergebleven, wordt deze vervolgens met behulp van het schraapstaal verwijderd. Evt. Fouten kunnen met het polijststaal worden weggedrukt. De plaat moet dan dikwijls aan de achterzijde worden opgehamerd om het oppervlak weer gelijk te krijgen.

De oudste graveurs die hun platen drukten, zijn waarschijnlijk allen goudsmeden geweest. Dit is op te maken uit het veelvuldig voorkomen van voorbeeden voor goudsmeedwerk onder hun ornamentprenten. Van enkele, als israel van meckenem waarvan het leven beter bekend is, staat dit vast. De meeste vroege gravures zijn gemaakt als voorbeelden voor goudsmeden en andere kunstenaars. Waarschijlijk zal de kopergravure op verschillende plaatsen onafhankelijk van elkaar onstaan zijn. Het oude verhaal, volgens hetwelk de gravure uit de niello-techniek in italie zou zijn ontstaan, is sinds lang definitief naar het terrein der legenden verwezen.

De vroegste graveurs bepaalde zich tot het graveren der omtrekken en het gelijkmatig invullen vankleine oppervlakken met kleine paralelle haaltjes. Het arceren onstond langzamerhand, eerst in enkelvoudig lijntjes, later door middel van kruisarceringen. Een nieuwe graveertechniek kwam op door het navolgen van tekeningen en schilderijen van grote meesters. In de uitwerking hiervan speelden marc antonio raimondi, cornelis cort en h. Goltzius een belangrijke rol. Hun techniek was erop gericht, de gravure meer glans en soepelheid te verlenen. In de 16de - en 17de eeuw bleef de kopergravure in hoofdzaak een reproduktiemiddel. Zij werd naar de maatstaf van het reproduktieve beoordeeld, zelfs nog door diderot. Verschillende scholen en methoden onstonden in deze tijd. Zij richtten zich naar de grote schilders.

In de 18de eeuw kreeg de kopergrvure in frankrijk weer een zelfstandig karakter? de kopergrvure verviel in de 19de eeuw in een sterk conventionalisme, vnl; door de academische graveermethoden, die universeel werd toegepast. Als reaktie hierop ontstonden in frankrijk en in duitsland nieuwe werkwijze, waarbij geen regelmatige tailles werden gelegd. De kopergravure ging dientengevolge meer op de ets gelijken.


Staalgravure

Volgens de traditie zou grateloup zijn miniatuurportretten reeds op staal hebben gegraveerd in de jaren 1765-71. Sedert ca. 1810 wordt dit plaatmetaal in amerika gebruikt bij de vervaardiging van bankbiljetten. Boekillustratoren ( bijv. de graveurs naar turner) gebruikten het procede, omdat het grote oplagen mogelijk maakt. Zo vervangt staal het koper in de periode 1815-60. Daarna keert men, dank zij de uitvinding van de verstaaltechniek, weer terug tot het gemakkelijker te bewerken koper.


Steengravure

De lithografie of steendruk is een grafische techniek die rond 1797 werd ontdekt door Aloïs Senefelder in Solnhofen (Zuid-Duitsland). Lithografie is een vlakdruktechniek, zo genoemd omdat de inkt op dezelfde hoogte ligt als de lithosteen (de drager).

De lithografie is gebaseerd op het principe dat water en vet elkaar afstoten. Zij werkt als volgt: op een geheel vlak geslepen (gegreinde) kalksteen van plusminus 12 centimeter dik wordt met vet krijt of vette inkt getekend. Het vet uit krijt of inkt trekt in de licht poreuze steen. De steen wordt dan ingewreven met een mengsel van Arabische gom en salpeterzuur. Deze preparatuur dringt daar in de steen waar geen tekening staat, en zorgt er zo voor dat op die plekken geen vet kan doordringen. Wanneer na 24 uur de preparatuur opgedroogd is, is de steen klaar voor het drukken. Met terpentine wordt de tekening verwijderd, maar het vet uit krijt en inkt blijft in de steen zitten.

Met een vochtige spons wordt de steen nat gemaakt; waar getekend is, waar de steen vet is, wordt het water afgestoten en blijft de steen droog. Nu kan met een inktroller met elke gewenste kleur het beeld ingeïnkt worden. De vette inkt hecht alleen op de droge gedeelten van de steen. Wanneer de steen ingeïnkt is, wordt er een vel papier opgelegd, dat met grote druk onder een pers door wordt gehaald. Zie daar: een afdruk. De steen wordt opnieuw vochtig gemaakt en ingerold totdat de totale gewenste oplage is gedrukt. De steen kan weer gegreind worden tot het gehele vetbeeld is verdwenen, en is dan weer geschikt voor een nieuwe tekening.